Boeken

Vredesmieren

8 jan 2020 – Persconferentie Donald Trump – Over de spanningen met Iran

Ik zal zeventien zijn geweest. Op school waren we bezig met de 80-ers; met schrijvers als Willem Kloos, Lodewijk van Deijssel, Frederik van Eeden en niet te vergeten hun grote voorbeeld, de dichter Jacques Perk. Ofschoon de meeste scholieren zich kapot verveelden, hing ik met enkele anderen aan de lippen van de leraar Nederlands die prachtige verhalen vertelde over deze vrijgevochten literaire rebellen uit de 19e eeuw. Het was inspirerend om te horen hoe deze schrijversbende tekeer ging tegen de brave en betweterige moraal-literatuur van hun voorgangers, de dominee-dichters. Voor deze nieuwe generatie schrijvers was de literatuur niet langer een onderdaan van de godsdienst of iets anders; deze literatuur was groots en waardevol in zichzelf. ‘Ik ben een God in ‘t diepst van mijn gedachten’ schrijft Kloos in één van zijn bekende sonnetten. Die dichtregel geeft de sfeer van de 80-ers goed weer: de individuele mens als autonome schepper. Ook Van Deijssel wist er raad mee: “De beslissing om alle zaken aan de meerderheid op te dragen, is de dood van de persoonlijkheid, van het intellect en de kunst, van alles wat de mensheid tot nu toe aan hoogs bereikt heeft”. Het was deze frisheid van denken die met één grote veeg afscheid nam van de verstofte 19e eeuwse schrijverswereld en met een ontwaakt zelfbewustzijn de toon zette voor een nieuwe literaire cultuur.

Toch duurde het feest van de 80-ers nog geen vijftien jaar. Onder de bonte groep schrijvers ontstond strijd over de literaire richting. De echte individualisten botsten met de meer politiek georiënteerde schrijvers van de groep die het opkomende socialisme omarmden. De tweestrijd betekende al snel het einde van de 80-ers en de vrijheidsimpuls die zij belichaamden. Eind 19e eeuw breken er andere tijden aan, waarin voor het individualisme van de 80-ers weinig plaats meer is. Maar vergeten werden ze nooit; hun inspirerende verhaal bleef leven en komt ook in latere tijden steeds weer aan het oppervlak.

Zo ook onlangs bij mij, na het zien van televisiebeelden van een geëxplodeerde brandende auto in Irak. Ik moest opeens denken aan een verhaal van Frederik van Eeden uit 1884. Deze schreef een wonderlijk boekje, ‘De Kleine Johannes’. Het is een soort sprookje over een piepklein jongetje dat op reis gaat en via zijn avonturen ingewijd wordt in de geheimen van de de wereld en de mens. Op die ontdekkingstocht ontmoet Johannes ook een oude mier, waarmee hij in gesprek raakt.

De mier vertelt hem, dat hij weinig tijd heeft, omdat hij met zijn broeders een nabijgelegen mierenkolonie gaan uitmoorden en beroven. De geschrokken en ontdane Johannes vraagt hem naar het waarom van die veldtocht; dat ‘uitmoorden’ lijkt hem geen goed idee. De oude mier antwoord, dat het juist een mooie en prijzenswaardige veldtocht is en zegt: “Je moet weten, het zijn de Strijdmieren die wij gaan aanvallen. Wij gaan hun families uitroeien en dat is heel goed werk.” Waarop Johannes in verwarring vraagt: “Zijn jullie dan geen Strijdmieren?”. De oude mier antwoord verontwaardigd: “Zeker niet! Wat denk je wel? Wij zijn Vredesmieren”*. Vervolgens legt de oude mier uit, in een bizarre redenering waar geen touw aan vast te knopen valt, waarom zij de Vredesmieren zijn en de anderen mieren niet.

Als hij afscheid genomen heeft van het mierenvolk, is de kleine Johannes erg opgelucht. Hij vindt die mieren maar ‘dom gezelschap’. Zijn metgezel, een libelle, corrigeert hem daarover en zegt dat dit niet zo is, omdat mensen de mieren erg hoogachten. Ik was het echter, toen ik het boek las, wel met Johannes eens. Ook ik kon de onnavolgbare redenering van de oude mier niet waarderen. Wel hield ik er, net als Johannes, een ‘unheimisch’ gevoel aan over; een gevoel dat mij, in mijn latere leven, nog wel eens overviel als ik weer eens iets onbegrijpelijks tegen kwam.

In dit nieuwe jaar overkwam mij dat wederom. Na de beelden van de brandende auto, zag ik op televisie zowel Amerikaanse als Iraanse politici die – tot mijn stomme verbazing – de bizarre redenering van de oude mier over de Vredesmieren bijna letterlijk leken te herhalen. Sindsdien is dat ‘unheimische’ gevoel niet meer weggegaan.

* (De kleine Johannes, pag 44).