Muziek

Holy signs in troubled times

Schilderij van Ambrogio Saracene met Sebastiaan (midden) en Rochus (rechts)

Ik ben niet kerkelijk opgevoed. Dat zit zo. Mijn moeder kwam uit een Rooms-Katholiek gezin en mijn vader was van huis uit Doopsgezind. Twee geloven op één kussen. Dat gaat niet samen, vond men; dat loopt nooit goed af. Maar dat deed het wel; de liefde overwon. De verwarring door de oorlog en wat onverkwikkelijke ervaringen met de kerk hielpen een handje mee. In huize Aardewijn werd de pastoor de deur gewezen, de kerk afgezworen en het ging prima zonder. Mijn ouders hebben het er nooit meer over gehad.

Het hele geloof is daardoor volledig aan mij voorbij gegaan. Ik vroeg mij als kind natuurlijk wel af, waarom mijn vriendjes naar de kerk gingen? Wat deden ze daar? Ze hebben het me nooit goed uit kunnen leggen in die tijd. In ieder geval begreep ik er niets van. En waarom zou ik ook? Het leven was mooi, zoals het was. Wij gingen als gezin op zondag de natuur in, aten wilde bramen, gingen op speurtocht naar herten, klommen in bomen en genoten op het strand van de ondergaande zon. Ik hoefde nooit zondagse kleren aan. Van mijn vriendjes hoorde ik héél andere verhalen.  

Toch kreeg ik later interesse in kerken, maar dat had een cultureel-historisch en esthetisch karakter. Ik ben geen klassieke kerkganger, maar veel kerken in binnen- en buitenland zijn indrukwekkende bouwwerken; de vormgeving, het licht, de ruimte, de glas en lood ramen, de schilderijen, de beelden en vooral de orgelmuziek, waar mijn vriendjes kotsmisselijk van werden. Zelf vond ik orgelmuziek zo mooi, dat ik in de zomer wekelijks orgelconcerten in de grote Haarlemse kerken bezocht. Daar beleefde ik voor het eerst de prachtige composities van Bach, Franck en Messiaen die via de machtige klanken van het orgel de kerkruimte vulden. Mijn oude vriendjes kreeg je de kerk niet meer in, maar ik genoot ervan, alsof ik in de natuur was.

Tijdens vakanties wandelde ik ook graag even een kerk binnen om te genieten van de wonderlijke sfeer die overal weer anders is. Tijdens een bezoek aan een kerk in Italië viel mijn oog op een schilderij, waarop enkele heiligen waren afgebeeld, onder andere de bekende heilige Sebastiaan. Deze heilige valt nogal op, omdat hij met pijlen is doorzeeft. In mijn jeugd al vroeg ik mij af, hoe deze Sebastiaan daar zo rustig onder kon blijven, maar, zo concludeerde ik in mijn onwetendheid, daar is hij waarschijnlijk een heilige voor. Ik vond het in ieder geval stoer.

In het schilderij was nog een andere figuur die mij opviel. Naast Sebastiaan stond een monnik afgebeeld, die zijn kleed optrok en met zijn vinger wees op een wond op zijn dijbeen. Wat betekent dat? Ik kwam er niet meteen achter. Later ontdekte ik in musea en kerken in Italië veel meer afbeeldingen van die monnik met dat ontblote bovenbeen. Het bleek de Franse heilige Rochus van Montpellier te zijn, die leefde in het begin van 14e eeuw. Hij stierf op jonge leeftijd aan de pest, nadat hij jarenlang pestlijders had verpleegd. De wond op zijn dijbeen blijkt een pestbult te zijn. Rochus is later heilig verklaard op basis van de legende, dat mensen die Rochus aanriepen tegen de pest, van die dodelijke ziekte genezen zouden worden.

Dat is een mooi verhaal, maar verklaart nog niet, waarom de kunstenaars Rochus zo afbeelden dat deze door zijn handgebaar de aandacht op die pestbult richt. In onze tijd is dat in ieder geval niet gebruikelijk. Wij poetsen elk oneffenheidje liever direct weg. Wie zit er nu op imperfectie te wachten? Laat staan op het zien van een pestbult. Dus waarom wordt Rochus zo afgebeeld? Die vraag heeft jarenlang in mijn achterhoofd op een antwoord liggen wachten.

En opeens, in deze tijd, waarin het coronavirus onzichtbaar rondwaart, slachtoffers maakt en alle zekerheden volkomen op zijn kop zet, kreeg ik een ingeving. Deze begon bij het zien van de indrukwekkende beelden van Italianen die vanaf hun balkon gezamenlijk hartstochtelijk hun volkslied zingen als tegenkracht tegen het zich snel verspreidende virusmonster. Die zang was een teken van gezamenlijk verzet tegen het virus en geeft uitdrukking aan de weerbaarheid en het onoverwinnelijke in de mens. Zo’n ervaring doet wat met je en geeft kracht. Die verzetshouding deed mij direct denken aan de heilige Sebastiaan die letterlijk doorzeeft met vele pijlen toch rechtop blijft staan en ondanks de verschrikkelijke foltering trots zijn mentale onkwetsbaarheid toont. Om die reden is Sebastiaan voor mij, of dat nu kunsthistorisch klopt of niet, het symbool geworden van het onkwetsbare in de mens.

Vanuit dat inzicht kreeg ook de heilige Rochus opeens betekenis. De wijze waarop deze in vele kunstwerken wordt afgebeeld, toont iets dat we liever niet willen zien. Het maakt een donkere kant in het bestaan zichtbaar, die meestal verdrongen wordt. Deze is echter – en dat voelen we onmiskenbaar in onze botten –  altijd op de achtergrond aanwezig en kan alles wat is opgebouwd in één klap verpesten. In Rochus hebben de kunstenaar niet, zoals bij Sebastiaan, de onkwetsbaarheid van de mens in de zichtbaarheid gebracht, maar juist de kwetsbaarheid van het mens-zijn en diens creaties. Daar werd in de kunst niet omheen gedraaid.

Spelen die heiligen nog een rol in het leven van mensen? Daar zal de kerk beslist een antwoord op hebben. Mijn persoonlijke observatie is dat de heilige Sebastiaan, symbool van onkwetsbaarheid, voor mij zichtbaar en voelbaar werd in de beelden van het verlaten Palermo door wiens lege straten opeens vanaf de balkons het Italiaanse volkslied galmde. We zijn er nog en laten ons niet vermurven, was de boodschap in de zang. Ook de heilige Rochus, symbool van de kwetsbare mens, is voor mij zichtbaar aanwezig. Deze toont zich in de plotselinge deemoed van mensen die – in het aangezicht van de gevolgen van de pandemie – hun blinde zelfgenoegzaamheid en materialisme achter zich laten en verantwoordelijkheid nemen. Rochus wordt echter vooral zichtbaar in al die mensen die ondanks gevaar voor eigen leven, hun kwetsbaarheid inzetten om de vele slachtoffers van het virus te verplegen, net zoals Rochus dat in zijn tijd deed.