natuur

De zwarte specht

Terwijl de Prime Minister of Barbados tijdens de bekende klimaatbijeenkomst COP27 hardhandig de oren wast van de geïndustrialiseerde landen (jullie zijn stinkend rijk geworden ten koste van de arme landen en nu zijn deze landen ook nog eens het slachtoffer van de alles vernietigende klimaatproblemen die jullie hebben veroorzaakt), heb ik voor meerdere dagen mijn onderkomen gezocht in een tiny house op de Veluwe, waar ik in verlaten bossen en heidevelden op zoek ben naar de 187e vogelsoort op mijn jaarlijst: de zwarte specht. Ik heb even getwijfeld of ik wel zou gaan, gezien alle zorgelijke ontwikkelingen in de wereld, maar toen ik vernam dat ook Boris, onze Britse held, bij de COP27 was gearriveerd, wist ik dat het allemaal goed zou komen en ik mijn aandacht zonder kopzorgen volledig op de Veluwse natuur kon richten. Bovendien werden de laatste twijfels weggenomen, toen ik las dat ook Rutte namens Nederland ruimhartig de portemonnee had getrokken. En zo hoort het natuurlijk ook. Geld genoeg. De schuldenlast van de Staat is bij de huidige inflatie flink afgenomen en zonodig printen we gewoon wat geld bij. De kinderachtige verzuchting die je vaak hoort, dat ons geld misschien wat minder waard wordt en we minder kunnen besteden en zelfs in de kou zitten, moeten we maar zien als een burgerlijke bijdrage aan het goede doel: het duivelse Rusland verslaan, waarna het allemaal weer goed komt. Kortom, geen vuiltje aan de lucht; alle ruimte en tijd voor mij om de dingen los te laten en volop van de natuur te genieten.

Echt, de stilte op de Veluwe, begin november, is een unieke ervaring. Deze stilte neemt geleidelijk aan bezit van je; gaat smoothly over in wat Tolle treffend als ‘stillness’ omschrijft, althans als je de wereld en al je gedachten daarover tenminste achter je kunt laten. Dan beleef je de bevrijdende opening naar de mentale space waarin je als mens de wereld als geheel weer in beeld krijgt en je niet meer laat kisten door dagelijkse nieuwtjes, pietluttige gedachten en kleinzielige affecties. Dan is het tijd om weer volop in te ademen en de pulsering van het echte natuurlijke leven in onze ziel en aderen te voelen. Wat wel enigszins teleurstellend was – daar kom je snel achter –  is dat de Veluwe omgeven is van militaire terreinen, zoals de Harskamp en Vliegbasis Deelen. Zeker in de herfst als het toeristische volk weer aan het werk is, wordt het aantal oefeningen flink opgeschroefd, tot op mobilisatieniveau aan toe, althans zo lijkt het. Gigantische helicopters vliegen in colonne pal boven je hoofd met oorverdovend lawaai en trillingen die aan aardbevingen doen denken. Er is ook niet te ontkomen aan het voortdurende geluid van granaatsalvo’s die het Veluwse luchtruim doordringen. Het leek goddomme wel alsof ik aan het front in Oekraïne was aanbeland. Het verbaast mij dan ook niets, dat ik hier al een decennium lang geen zwarte specht meer heb gezien. Je zou zelf ook vertrekken en migreren bij deze alles verstorende herrie. Opeens wist ik ook weer klip en klaar waarom ik niet in militaire dienst wilde: mijn dromen beschermen! Me nooit laten meesleuren door oorlogshysterie en de illusie, de idiote gedachte, dat er door oorlog wat te winnen valt. De voet waarmee ik een jaar later karatekampioen zou worden, zat dan ook keurig in het gips, toen ik voor de dienstplicht gekeurd moest worden. Enigszins beschaamd, werd mij meegedeeld, dat de röntgenfoto’s van de voet er niet goed uit zagen en de gewenste rol als dienstplichtige er voor mij waarschijnlijk niet in zat. Dat is me tenminste bespaard gebleven.  

Gelukkig kon ik die oorlogsherrie van mij afschudden en wist ik ondanks het wapengekletter weer terug te keren tot de harmonische sferen in de natuur, zoals de Schepper deze in zijn onschuld moet hebben bedoeld, er geen rekening mee houdend, dat zijn leuke idee om de mensen iets als vrijheid te schenken, misschien toch niet zijn meest geniale ingeving was geweest. Wel kwam tussen de stiltes door zo nu en dan nog even het beeld in mijn hoofd op van de hoofdpersoon Paul Bäumer uit ”Im Westen nichts Neues’ van Erich Maria Remarque. Deze Paul die in de 1e Wereldoorlog in al zijn naïviteit en onschuld als militair zijn vaderland een handje wil gaan helpen, maar dan totaal onvoorbereid in de niet voorstelbare hel van het front terecht komt. Vanaf dat moment leeft hij in de twilight-zone tussen twee werelden: een alles vernietigende realiteit waarin de waanzin het voor het zeggen heeft en de wereld van zijn kindertijd en dromen waarin de wereld nog een mooie uitdagende belofte voor hem was geweest. Die belofte en dromen zou hij uiteindelijk niet gaan waarmaken. Net voordat de finale wapenstilstand wordt gesloten en je denkt dat hij de oorlog gaat overleven, sterft hij op het laatste moment alsnog een genadeloze en zinloze dood. Hij heeft het niet gered. Na alle onmenselijkheden die hij had meegemaakt, viel er eigenlijk ook niets meer te redden; van zijn dromen was niets meer over. Je wordt er niet vrolijk van, maar het zet wel aan tot existentieel denken. In ieder geval is het voor mij zeker niet te bedoeling om te sterven in zo’n oorlogshel. Ik heb nog veel te doen, onder andere die zwarte specht vinden en zo zijn er nog vele zaken waaraan ik mijn tijd en leven wil geven. Ik behoor dan inmiddels tot de vergeten generatie van oude mannen die op bankjes zitten en om niet helemaal in te slapen, nog eens een aquarelletje maken (kortom, geen rimpeltje in het heelal meer veroorzaken), maar ik geef mijn zoektocht naar de zwarte specht, mijn droom, nimmer op. En tot mijn geluk kwam de eigenaar van het landgoed waarop mijn tiny house staat onverwacht met briljante raad. Op het landgoed bevindt zich, goed verborgen in het bos, een kleine, deels ondergrondse vogelobservatiehut met een gecamoufleerd kijkraam op voethoogte. Je kijkt uit op een kleine open plek met een vijvertje, aan de achterkant omringt door wat varens en het bos. Ik zou plaats moeten nemen in die donkere hut die in principe ruimte biedt voor twee personen en ik zou iets moois beleven. En dat deed ik. 

Ik wist niet wat mij overkwam; ik ben twee dagen in het paradijs geweest. Het enige dat ik deed was gefascineerd en gedachteloos kijken naar het prachtige tafereeltje dat ik vanuit de hut in stilte kon volgen. Van zonsopgang tot zonsondergang heb ik het leven van vele vogels en een eekhoorn kunnen meemaken. De bekende bosvogels, maar ook goudvink, appelvink, vuurgoudhaan, goudhaan, sijs, koperwiek, boomkruiper, bonte specht, etc. Het bestaat dus nog, lieve vrienden, dit schitterende ons zo onbekende bosleven, dat godzijdank gewoon door gaat, ondanks de puinhoop die mensen vaak van deze wereld maken. Heel interessant was overigens, dat de vogels mij totaal negeerden en zich niet door mijn aanwezigheid lieten storen. Ze herkennen je blijkbaar niet als ‘gevaar’ als je je op gelijke hoogte opstelt en je stil houdt. Bovendien biedt het vanaf het aardoppervlak naar de wereld kijken een opmerkelijk perspectief, dat ons meestal vreemd is (behalve na de dood dan). Het perspectief maakt bewust, dat we gewoonlijk niet meer echt in de nabijheid van de natuurlijke dingen leven, maar daar bovenuit in een hogere mentale layer, waarin vooral gedachten de dienst uitmaken en we veel mooie dingen bedenken die we later meestal niet meer terug kunnen draaien als ze toch niet zo mooi blijken te zijn als we dachten. Een layer die we naar mijn gevoel te hoog zijn gaan waarderen en die ten koste gaat van het zicht op alle pracht die ons omringt en zeker ten koste gaat van de stilte die nodig is om dat in te kunnen zien. Hebben ze daar bij COP27 wel eens aan gedacht?

Tot slot. De hut had twee stoelen. Even vroeg ik mij af of het niet leuk was geweest als die andere stoel ook bezet was geweest. Ik fantaseerde zelfs wie ik daar naast me had willen hebben. Ik maakte er een spelletje van: Volodymyr of Vladimir?, Mark of Thierry?, Joe of Xi? , etc. Maar nee, geen van die makkers zou ik ook maar een seconde toelaten in dit portaal naar het paradijs. Een vrouw dan misschien? Een Ursula of een Christine. Het zelfde laken een pak. Merci, pas d’interesse. Opeens moest ik aan Sartre’s boek ‘L’Enfer c’est les autres’ denken. De hel, dat zijn de anderen. Al die verwarrende gedachten, principiële overtuigingen, vermeende zekerheden en polariserende verhalen van wat waar is en wat niet, daar zit ik hier niet op te wachten en de natuur ook niet.. Dan liever alleen. Eventueel zou een aantrekkelijke jonge vrouw wel een leuk idee zijn, bedacht ik me, maar of die paradijsvogels het juiste gezelschap zijn om mijn specht ooit te vinden, is natuurlijk de vraag?. Nee, er is, zo bedacht ik mij, slechts één vrouw die mij zeker had mogen vergezellen, ware het niet dat haar kans verkeken is, sinds ze denkt dat haar goudhaantje in een andere wereld gezocht moest worden. Kortom, de stoel bleef leeg en daar heb ik vrede mee. Het leven op jezelf kent zijn geneugten, vrijheden, liefdes, vriendschappen en onverwacht avontuur; geschenken waarmee je als mens niets tekort komt. Terugkerend uit mijn overpeinzingen ging ik er weer eens goed voor zitten, om in stilte te genieten van mijn vogelparadijsje en alles wat er te beleven viel. Wat een welbehagen.

De zwarte specht heeft zich niet laten zien. Fair enough. Geef hem eens ongelijk.