Film

Ergens, tussen daarnet en zometeen

(Opmerkelijke still uit de speelfilm ‘1917’)

Soms vraag ik me af, hoe het toch mogelijk is, dat zoveel mensen hun kostbare tijd besteden aan de meest onbenullige en nietige zaken? Alsof ze het eeuwige leven hebben en vergeten zijn, wat er werkelijk toe doet. Tegelijkertijd realiseer ik mij, dat anderen dat waarschijnlijk ook van mij denken. Minstens de helft van mijn tijd doe ik dingen die door vrienden en kennissen regelmatig wat ongemakkelijk als ‘oké, wat leuk’ worden getypeerd. Wat zoveel wil zeggen als: ‘Nou, veel plezier er mee, maar val mij er verder niet mee lastig’.

Eén van die dingen is, dat ik soms lang – en dan bedoel ik echt lang – bij iets stil kan staan. Bijvoorbeeld bij opmerkingen die ik hoor of teksten die ik lees. Zo is er één zin die al zo’n veertig jaar door mijn hoofd speelt en waaraan ik in mijn leven al heel veel tijd heb besteed. ‘Verloren tijd’, volgens mijn vrienden, maar toch. De bedoelde zin komt uit Sein und Zeit, het magnum opus van de Duitse filosoof Martin Heidegger en luidt:

‘Sich-vorweg-schon-sein-in-(der-Welt-) als Sein-bei (innerweltlich begegnendem Seienden’; (pag. 192 SuZ).

Ik geef toe, het is een wonderlijke zin en ik kan mij ook goed voorstellen, dat iemand denkt: waarom zou je überhaupt ooit bij zo’n zin stil willen staan? Het antwoord is vrij eenvoudig. Ik heb altijd veel nagedacht over wat mens-zijn eigenlijk betekent. De denker Heidegger is daar zijn hele leven mee bezig geweest en in die ene zin beschrijft hij naar mijn overtuiging een fundamenteel zijns-kenmerk van de mens. Wat Heidegger denkend ‘gezien’ heeft, wil ik in al zijn consequenties kunnen doorzien en dat vraagt nu eenmaal tijd.

Waar Heidegger met zijn zin op doelt, is – sterk vereenvoudigd – dat de mens in zijn er-zijn altijd al in een voorbewuste, meer stemmingsmatige relatie staat tot de tijdelijkheid van het zijn, dat wil zeggen, tot het hier er nu (Sein-bei), tot het verleden (Schon-in-der-Welt) en tot het toekomstige (Sich-vorweg). Heidegger beschrijft met die zin de mens dus niet naar zijn uiterlijke verschijning, maar naar diens temporele zijnswijze; de wijze waarop deze als mens in de wereld aanwezig is; waar en op welk moment dan ook.  

Leg dat maar eens aan anderen uit. Aan mijn bereidheid om het uit te leggen, heeft het overigens nooit ontbroken, maar de belangstelling voor het onderwerp was, zacht gezegd, nooit erg overweldigend. En waarom zou men ook, als men zonder dat inzicht blijkbaar prima kan leven. Zo volgt iedereen zijn eigen spoor (wat prachtig zichtbaar wordt in de still uit de speelfilm hierboven).

Soms echter komt er bijval uit onverwachte hoek. In de speelfilm ‘1917’ van de regisseur Sam Mendes, waar ik onlangs naar keek, kun je op unieke wijze iets beleven van wat Heidegger met die ene zin over de zijnswijze van de mens heeft bedoeld. ‘1917’ voegt als oorlogsfilm misschien niet zo veel toe, maar is zeker een doorbraak in de filmkunst. De film biedt iets wat geen andere echte speelfilm in deze vorm ooit heeft gedaan. Het is – of beter – het lijkt te zijn opgenomen in één shot. Dit geeft de kijker een volledig nieuwe filmervaring. Je bent als kijker als het ware van begin tot eind zelf in het hier en nu van de film aanwezig en beleeft van nabij, wat er gebeurt.

Het filmavontuur van ‘1917’ begint ergens in de wereld op de plek waar de film je naartoe heeft verplaatst. Vanaf dat moment maak je als observator in één doorlopende stroom mee wat er zich daarop dat moment – aan interactie en gebeurtenissen afspeelt in de temporele tussenruimte van het daarnet en het zometeen waarin je je bevindt. Het kijkersperspectief waarin de film je ‘dwingt’ komt in feite overeen met de voorbewuste zijnservaring van de mens in het dagelijks leven, zoals Heidegger dat verwoord heeft. Deze ervaring wordt opeens bewuster, omdat dit veruitwendigd en geobjectiveerd is in het perspectief dat je als observator in de film hebt ingenomen. Het cinematografische perspectief maakt zo het ‘zien’ van de eigen zijnswijze gemakkelijker; je kijkt er minder snel overheen, omdat het in zekere zin buiten je is geplaatst.  

Interessant in dit kader is ook, dat de verhaallijn in ‘1917’ voor de kijker niet duidelijk wordt via flashbacks, intermezzo’s of beelden over wat er op afstand gebeurt, zoals dit bij andere films het geval is. Het verhaal ontwikkelt zich van moment tot moment voor je ogen en daar moet je het als kijker mee doen, zonder aanvullende informatie die het continuüm verstoord. De techniek van één shot geeft de film dan ook een geweldige rust. Vanaf het ogenblik, dat je in de film meeloopt, verzamel je stap voor stap net voldoende aanwijzingen om enigszins te kunnen vermoeden in welk avontuur je je bevindt, zonder dat het verhaal zijn spanning verliest.

Het verhaal van ‘1917’ zelf is klein en sober. Het werpt geen nieuw licht op de oorlog, maar raakt in zijn soberheid wel de kern van het menszijn. Twee soldaten moeten door een vijandelijk gebied trekken om een levens-reddend bericht over te brengen naar een grote groep bevriende soldaten die gevaar lopen. Dit levert een zware en moedige tocht op, waarin menselijke waardigheid moeizaam weet te overleven te midden van de verschrikkingen en krankzinnigheid van een genadeloze, alles vernietigende loopgravenoorlog.

De film schets een beeld van immense kwetsbaarheid en bijna bovenmenselijke wilskracht die – niet zonder offers – opgebracht moet worden om dingen die van waarde zijn, levend te houden. Ook die harde ervaring werpt je in de film terug op jezelf en draagt bij tot de innerlijke waarneming van wat Heidegger in Sein und Zeit als de eindigheid van het er-zijn beschrijft: de beleving van het diepe stemmingsmatige besef, dat je als sterveling niet het eeuwige leven hebt, de tijdelijkheid van je bestaan je oproept tot authenticiteit en de jouw geschonken tijd uiterst kostbaar is.