filosofie

‘To re-enchant the world’

Sir Roger Scruton

Begin dit jaar overleed de Engelse filosoof Sir Roger Scruton. Volgens deze authentieke, maar controversiële denker, schrijver en gentleman is de meest belangrijke taak van de hedendaagse filosofie ‘to re-enchant the world’. Die opvatting is op zijn minst ongebruikelijk in een tijd, waarin de moderne wetenschap de laatste restanten van mythen, religies en magie uit het menselijke bewustzijn probeert te verjagen. Dus wat bedoelt Scruton precies? Welke ‘betovering’ zou de filosofie weer terug in de wereld moeten brengen en waarom? Hebben we bij deze filosoof slechts te maken met een nostalgische-conservatieve denker die wat sneu terug verlangt naar de voor-wetenschappelijke wereld van weleer, of maakt hij zich terecht zorgen over de impact van het wetenschappelijke denken op ons bestaan, zoals ook denkers als Heidegger en Harari dat doen?

Volgens Scruton is die zorg terecht. Het succes van de moderne toegepaste wetenschap verleidt tot een vooruitgangsgeloof dat het paradijs op aarde belooft en alle andere geloven inferieur en overbodig maakt. In de roes van dit beloofde land zien veel mensen over het hoofd, dat dit seculiere vooruitgangsgeloof het menselijk bestaan ongemerkt van iets wezenlijks berooft. Scruton doelt op de ontkenning van de dimensie van de ‘sacred truths’, de waarden die, als het er op aankomt, heilig voor mensen zijn. Met die waarden wordt niets abstracts bedoeld, want iedereen kent ze. Ze lichten in ieder mens op, op de momenten dat de schoonheid, waarheid of rechtvaardigheid van iets wordt beleefd. Die waarden komen niet uit de wetenschap zelf voort, maar uit de voorwetenschappelijke ervaring van de mens die voorafgaat aan het wetenschappelijke denken. Het zijn die waarden die het alledaagse leven altijd al zijn betekenis, glans en betovering schenken en waar de wetenschap, als waardevrije discipline, feitelijk op drijft.

Scruton is van mening dat het moderne wetenschappelijke denken vooral kennis oplevert van een ‘reality-behind-the scene’, terwijl de immanente betekenis die de wereld heeft vóórdat deze geobjectiveerd wordt, buiten beschouwing blijft; sterker, gewoon niet voor dit denken bestaat. Die specifieke en eenzijdige wetenschappelijke kijk op de wereld heeft nare bijwerkingen. Het ‘threatens to destroy our responses to the surface’, aldus Scruton. Het vervlakt onze ervaring van het menselijk bestaan. Daarentegen probeert het filosofische denken juist door te dringen tot die diepere betekenislagen in ons dagelijkse leven. Het wil deze weer zichtbaar maken in het streven ‘to re-enchant’ the world’.  

De strijd tussen het wetenschappelijke- en het alledaagse voor-wetenschappelijke perspectief, doet denken aan de tegenstelling tussen het Copernicaanse wereldbeeld uit de 16e eeuw en het Ptolemeische wereldbeeld uit de 2e eeuw. Het eerste wereldbeeld is het resultaat van strenge wetenschappelijke observatie, het tweede is geënt op observaties vanuit de dagelijkse beleving van de wereld. Simpel gezegd stelt het Copernicaanse wereldbeeld dat de aarde om de zon draait en het Ptolemeische wereldbeeld dat de zon om de aarde draait. Vanuit het objectieve wetenschappelijke denken gezien heeft Copernicus natuurlijk aantoonbaar gelijk. Tegelijkertijd is er vanuit de alledaagse ervaring gezien niets mis met de visie van Ptolemeus. Het zijn slechts twee perspectieven om naar de wereld te kijken en ze zijn beide waar binnen hun vooronderstellingen. Ze gaan ook prima samen. Wie het heelal wil bestuderen kan beter Copernicus lezen, maar de wandelaar zal beter de weg kunnen vinden als hij de wereld vanuit het standpunt van Ptolemeus beschouwt.

Vervelend wordt het pas als de standpunten worden verabsoluteerd en een dogmatisch karakter krijgen in die zin, dat het ene perspectief de ander het licht niet gunt. Dit laatste is het geval. De moderne wetenschap heeft een geloof getriggerd, dat vanuit superioriteit alles ontkent wat niet binnen het eigen perspectief zichtbaar is. Dit geloof meent alle levensvraagstukken van de mens binnen het wetenschappelijke domein op te kunnen lossen en is er ook van overtuigd, dat dit op termijn gaat lukken. Dat dit geloof ook zonder schaamte de Ptolemeische wereld van de wandelaar binnendringt en die wereld ongevraagd volzet met gebouwen en installaties waar de wandelaar niet op zit te wachten, is ronduit stuitend, maar is blijkbaar slechts het probleem van de wandelaar.

Ik ben zo’n wandelaar. Ik geniet van de ongerepte natuur, van het ochtendlicht, van de zon die opkomt in het oosten, van de geur van de zee en het lijnenspel van het landschap. Ik voel de wind, hoor de vogels, zie de bomen en beleef de energie in mijn lijf. Ik speel met de vrijheid die ruimte geeft in alle richtingen en geniet eveneens van de thuiskomst in mijn comfortabele huis. Al die dingen zijn voor mij geen vanzelfsprekendheden, geen consumpties, geen illusies, maar openbaringen van het wonderlijke bestaan die mijn eindige leven zijn betekenis geven en heilig voor mij zijn. Ik heb als wandelaar op deze aarde geen Copernicaanse perspectief of objectieve wetenschap nodig om mijn wandeling kwaliteit te geven. Integendeel. De zegeningen van wetenschap en technologie zijn talrijk en nuttig, maar niet overal nodig en niet op elk moment. Het ‘Copernicaanse’ denken laat een prachtig licht op de wereld schijnen, maar als ik bij nacht naar de betoverende sterrenhemel kijk, dan is de aarde toch echt het middelpunt van het heelal en zo wil ik het graag houden.